Tom wordt aangemeld, omdat hij een negatief zelfbeeld en faalangst heeft (‘ik ben dom en nergens goed in’). Thuis uit zich dat in boosheid en schreeuwen. In de derde sessie speelt hij een rollenspel. Hij is de stoere, sterke, slimme ridder die de gemeneriken te lijf gaat. Tom zet een overtuigende rol neer en speelt met enorm veel energie. Intussen vertelt hij de therapeut hoe ze de rol van gemenerik moet invullen, zodat het spel precies zo verloopt als hij wil. Het heeft duidelijk veel betekenis voor Tom om nu de machtige te kunnen zijn. Zo kan hij in de spelkamer zijn kracht ontdekken en oefenen met nieuw gedrag. Na een zware strijd (‘kom op jongens we gaan die betweters te lijf!’) en een slim plan slaat Tom de gemenerik in de boeien. Hij slaakt een diepe zucht en zegt met een brede lach: ‘Dat voelde goed!’. Hij huppelt naar de wachtkamer waar zijn moeder op hem wacht.